Posts tonen met het label gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedichten. Alle posts tonen

14 mei 2015

Dit gedicht is een vervolg op Het meer (spiegel in spiegel).

Ten oosten van het meer in het woud van de dieren en hun geesten: de rode kloppende geesten in de ooghoek van het woud waar de wezens van de nacht op de rand van de nacht durven (praten met hun geesten en)
dansen, om elkaar heen, waar ze steeds kleinere cirkels trekkend spiralen spannend met koorden om de bomen van het woud en zijn ogen


om elkaar heen, webbend in de diepte
tot ze verdwijnen, in een punt verdwijnen naar de wereld vanwaar de dieren en hun geesten ’s nachts verblijven: het rode woud met de ijle vloer, de eeuwig diepe vloer aan de overkant, met de knokkels over het plafond van het woud: roffelend, roepend, tenen krullend om de rode stam, de takken. Adem. Ren.


Ze dansen om het meer waar de man en de vrouw ook de nacht voordien hun eigen cirkels dansten in het zand, steeds kleinere cirkels om de man en de vrouw, steeds meer als spinnen aan hun rag uit het plafond van het woud waar de apen met hun touwen, met hun knokkels de aarde masserend
al eeuwen lang de grond boven hun handen
plat proberen slaan.









29 april 2015

Daar, in een andere kamer, in een ander huis aan hetzelfde meer, in dezelfde wereld, met het hoofd in de morgen dragen ze zwarte dieren op hun rug naar de morgen in de wolken, in het meer aan het spiegel-in-spiegelende water.
Er staat een huis aan het meer in het meer; het is ermee vergroeid en in dat huis hangen wolken, zwanger van de morgen, gedrapeerd over schouders zoals zwarte pelsen. Ze kleden zich in jachttrofeeën, zijn met dingen bezig.
Er komt een vrouw met muziek in het haar, de kleine deur naar buiten, muziek naar buiten, over het meer-in-het-meer alsof het niets meer is: de overkant, waar de dieren en de wolken zichzelf komen spiegelen. Kijk.
In het meer, in het diepe wolkeloze spiegel-in-een-spiegelmeer van kamers en een huis met muziek -
Er stroomt muziek
langs de ruggen van de dieren en hun pels is nat. Aan de rand van het meer waar de vrouw met muziek in haar hoofd en de wereld is nat: een wereld van kamers in het niets, honingraten in het ijle.
De dieren in hun hoofden en hun hoofden, waarlangs de honing en muziek langs hun rug en zijn mond haar dorst lest in het meer, het meer van de wolkeloze hemel met de spiegel-in-de-spiegels en die kleine, altijd gesloten spiegeldeur.
Daar, een man uit datzelfde huis, de dieren op zijn rug aan de overkant van het meer, de honing met de melk en de muziek van gisteren en van morgen: te zorgen voor elkaar. De haren in handen geklit, gesuikerd en vettig, de vrouw aan de man geklit, alle pelsen afgeworpen. Kijk.








18 december 2014

De bladeren van de bomen breiden zich uit voorbij de grenzen van de kleuren die ze worden
mengen zich met het blauw van het bruin en het zand van het strand en ik vraag mij af
of het schijnen van de waterzon rond mijn schaduw mij wilt doen geloven dat ik bij de besten ben
of gewoon een teken is dat ik, lichthoofdig in de wolken, ziek ben van te weinig slaap en liefde

Ik hoeder van mijn kudde drijf mijn beesten tot onrust in de ochtend, in de richting van
de bossen die onze kleuren het beste doen uitkomen zoals de blos op fruit
dat niet bewaard kan worden en het klinkt door de takken van de bomen:
de liefde voor het sterven, het alleen zijn, de jonge velden en het zachte gras

De wortels van het huis die tot in de waterputten reiken
de stralen van het stromende licht dat tuimelt als de otters door de luiken voor het raam
zuigen de grijsheid uit ons nest, de leegheid langs onze monden naar buiten

Het beseffen dat wij heel zijn heeft twee jaar geweekt en dan gedroogd op zolder
rolt in lage tonen langs de berken naar zijn eigen einde
en dan stopt het, voor de ogen van ons allen, met een plotse golf van kalmte

12 december 2014

het is een ritueel, als percussie, de maximale zee en wij dan
daaronder, deinend maar niet van harte
hoor de dieren en de dingen
de vinnen en de voeten op hun pad naar morgen
zonder eisen, zonder liefde, haat of hart
met de stroming mee, blauw als parels
in de zee, het rijden van de wind, het water
wij als schepen - nee, als wrakhout, vergeten ankers onderwater
zonder richting observerend, kwaad op alles
als ik jou volg dan gaan we in kringetjes en dus nergens heen
maar als ik dat niet doe, dan verliezen we elkaar uit het oog
spoelen we weg als mensen